16.02.16

Grind! - Stefan Slechten

Zuchtend en steunend, maar niet te hard en niet te opvallend, loop ik met het kleine opgeblazen rubberbootje op mijn schouder richting waterkant. Het bospad is verraderlijk glad vanwege de hevige regenval van de voorbije dagen. Mijn god, het leek alsof de hemelsluizen open gingen en men ‘daarboven’ vervolgens aan alle seizoenen Thinking Tackle begonnen is en per abuis vergat om de kranen weer dicht te draaien. Normaal gesproken ben ik niet zo’n fan van regen, maar in dit geval past het perfect bij het strijdplan. Nog altijd zuchtend en steunend, loop ik namelijk naar de oevers van mijn vroege voorjaarswater, in de hoop weer iets wijzer te worden en het bodemverloop nog beter in kaart te brengen. Ik wil daarbij de overige karpervissers niet slimmer maken dan ze al zijn, dus dan helpt het om in het donker en in de regen het peilwerk te verrichten. Ik trek de capuchon nog wat verder over mijn hoofd en laat het bootje geruisloos te water.
Terwijl ik minutieus de bodem afspeur, wisselend op de dieptemeter kijk en met de prodding stick de bodem aftast, denk ik terug aan het voorbije visjaar. Het was een jaar waarin ik enerzijds weinig reden tot klagen had; gezien de beperkte vistijd wist ik toch redelijk wat vis op de kant te trekken. Anderzijds gooide de sterfte op het nieuwe thuiswater veel roet in het eten en zwierf ik bijgevolg in de maanden die volgden doelloos langs allerlei andere wateren, waar de locals al lang en breed op hun aangevoerde stekken zaten te harken en ik structureel achter het net viste. Pas in het najaar kwam er weer wat meer lijn in de aanpak, met een aantal mooie spiegels als gevolg. Het najaarsoffensief werd echter nooit meer dan een halfslachtige poging daartoe, vanwege drukte op het werk, thuis, met de studie, de verbouwingen in en rondom het huis. Enfin, het zal voor de meesten van jullie niet onbekend in de oren klinken.


Zo mijmerend, terugblikkend, evaluerend, vaar ik routinematig alle op het oog interessante en gekende stekken af, tot mijn aandacht getrokken wordt door het knerpende geluid van grind onder de voet van de prodding stick. Ik zou een vreugdesprongetje kunnen maken, ware het niet dat ik dan zonder twijfel uit de een-meter-zestig aan drijvend rubber kukel waarin ik zit rond te dobberen. Zowat de hele waterbodem bestaat hier uit prut, smurrie, grijze rottende drek waarin je tot aan je knieën wegzakt. Nee, dan is het grindplaatje waarboven ik nu drijf compleet wat anders. Het ligt er, schijnbaar achteloos, voor de voet van een lang geleden weg gezaagde treurwilg. Het is er pakweg anderhalve meter diep en het grindplateautje zal niet meer dan drie vierkante meter groot zijn. Zouden ze hier nu al liggen, terwijl de nachten nog enige vrieskou met zich meebrengen? Of liggen ze, zoals ik altijd dacht, tussen de omgevallen bomen in hun winterholding, daar waar ik ze in een eerdere winter wist te vangen? In een volgende blog meer!

News ArchiveNEWS ARCHIVE

ARCHIVE